De speeltuin in Veendam

Op 8 januari 2018, de dag van de aardbeving van Zeerijp, trad Michiel Roesink in dienst bij de Veiligheidsregio Groningen. De nieuwe strategisch adviseur aardbevingen maakte in sneltreinvaart kennis met de ellende, maar ook de samenhorigheid en standvastigheid van vele Groningers. Het was een hernieuwde kennismaking met de provincie. In zijn jeugd bracht hij er vele gelukkige zorgeloze momenten door. Die herinnering is een belangrijke drijfveer in zijn werk bij de Veiligheidsregio Groningen, zo vertelt hij zelf.

Hendrikus Keizer is geboren op 13 april 1911 in Veendam. Hij is er opgegroeid en heeft er ook bijna zijn hele leven gewoond. Al vroeg ging hij werken bij de WAPROG (het voormalige Waterbedrijf Groningen), in zijn woorden ‘De Wotterlaain’n’.

Hij ontmoette de vrouw van zijn leven Aaltje uit Meeden en samen woonden ze aan de Jacob Bruggemalaan. Dit was vlakbij voetbalclub SC Veendam, waar (fan) Hendrikus de entreekaartjes verkocht aan de Langeleegte. Ook de brandweerkazerne stond om de hoek, en als er brand was, luidde in huize Keizer de brandbel luid, want Hendrikus was een van de brandweermannen die op de solex van de WAPROG achter de dorstige spuitkar aan bromde om heldenwerk te verrichten.

Brandweer Veendam, 1955. Hendrikus (uiterst rechts met zwarte pofbroek) leunt voorover op de dorstige handspuit.

Hendrikus was dus jarig op 13 april 1945, 75 jaar geleden. Het was op deze dag dat de geallieerde Poolse en Canadese troepen door de straten reden en Veendam werd bevrijd. Onlangs werden oude zeldzame beelden hiervan vertoond. Dit moet toch het allermooiste verjaardagscadeau zijn dat iemand ooit kan krijgen?

Aaltje en Hendrikus kregen kort na de bevrijding hun derde dochter en met zijn vijven verhuisden zij naar de Burgemeester Bosscherstraat in Veendam waar ze de volgende 50 jaar zouden wonen en samen oud zouden worden. De familie Keizer is niet beroemd of bekend. Het is een typisch doorsnee gezin waarvan er zo vele zijn in Groningen. Voor mij zijn zij wel bijzonder, want Aaltje en Hendrikus zijn mijn oma en opa.

Wij woonden in Zeijen, in de kop van Drenthe en in mijn jeugd fietste ik regelmatig naar Veendam. Een fietstocht van ongeveer een uur. Ik was altijd verheugd als na het oversteken van de (toen) gevaarlijke Kielsterachterweg aan de rechterkant de grijze buizen van NAM-locatie Wildervank opdoemden. Want dan was ik er bijna.

Pas achter die grijze buizen begon het geluk. Met opa en oma sjoelden we en opa leerde mij dammen. Tussen de middag aten we warm en soms namen ze ons mee naar Bourtange, of we beklommen heel stoer de watertoren in Pekela, waarvan opa, toen al lang en breed met pensioen, nog steeds de sleutel had. Maar het vaakst speelden wij in de speeltuin tegenover het huis van opa en oma. Op de blauw geverfde schommel, de glijbaan of op de wipwap.

 

Werkhanden

Op mijn 18e vertrok ik naar Delft om te gaan studeren. Naar het westen, dus ik was gewaarschuwd. In Delft heb ik desondanks een mooie tijd beleefd. De studie verliep niet altijd even vlekkeloos. Ik weet nog goed dat ik op bezoek bij opa en oma met de billen bloot moest. Oma vroeg me: “Laat je handen eens zien”. Met mijn uitgestrekte armen was haar conclusie: “Dit zijn toch ook geen studiehanden, dit zijn werkhanden!” Ik heb nooit geweten of ik hier trots op moest zijn of niet. Mijn opa, waar ik zo tegen op keek, was een grote krasse knar, een echter Grunneger, met handen als kolenschoppen en klompenmaat 48.

Toch hebben die werkhanden voornamelijk toetsenborden gezien. In januari 2018 keerde ik pas weer terug naar het noorden. Bij Veiligheidsregio Groningen ging ik aan de slag als strategisch adviseur aardbevingen. Dolgraag had ik dit opa en oma zelf verteld, maar dat ging toen niet meer. Toch weet ik dat ze trots zouden zijn geweest, ik werkte immers voor de brandweer, waar opa ook zo lang bij heeft gezeten.

8 januari 2018 was mijn eerste werkdag bij de veiligheidsregio. Het is een dag die bij velen in het geheugen staat gegrift, want om 15.00 uur ‘s middags beefde de grond door de aardbeving van Zeerijp. Deze beving heeft veel los gemaakt. Meer dan duidelijk werd dat nog veel drastischer ingegrepen moest worden. Een protestfakkeltocht volgde een week later. Ik moest enige dagen na de beving langs bij toenmalig burgemeester Albert Rodenboog. Een inwoonster van Loppersum had namelijk per brief aan de gemeenteraad laten weten dat ze zich in de steek gelaten voelde en dat de veiligheidsregio niet wist te vertellen wat ze moesten doen bij een aardbeving. Ik mocht tekst en uitleg geven. We bespraken de mogelijkheden die de veiligheidsregio inwoners kan bieden om zich voor te bereiden en hoe we samen de inwoners nog beter kunnen en moeten bereiken.

Een dag later woonde ik een try-out bij van de opleiding voor ons brandweerpersoneel. Zo’n twintig brandweermannen kregen les in het herkennen van gevaarlijke situaties, types scheuren in woningen en hoe ze deze konden stabiliseren. De eerste vraag van de docent vergeet ik nooit meer. Hij vroeg aan de mannen wie er zelf ook te maken had met scheuren in hun eigen woning. Meer dan de helft van de aanwezigen stak de hand omhoog.

 

Gezondheid

Nog geen week later publiceerde de Rijksuniversiteit Groningen het eerste rapport van Gronings Perspectief, waaruit duidelijk werd hoe groot de aanslag van jarenlang traineren en langdurige onzekerheid op de gezondheid van vele duizenden Groningers was. Het was een indringende en hartverscheurende boodschap.

Het was duidelijk voor me hoeveel er nog moest gebeuren. We hebben toen de belangrijke conclusie getrokken dat we veel meer moesten gaan luisteren en veel meer door de Groningers zelf moeten laten bepalen. We moesten samen gaan optrekken, in plaats van naar elkaar wijzen.

Dit was ook de reden dat we bijvoorbeeld de grote aardbevingsoefening in het najaar van 2018 in Zuidwolde samen met de inwoners hebben voorbereid en uitgevoerd. Zij bepaalden wat we gingen beoefenen, niet wij. En ook daarna bleef de focus liggen op het samen doen. Er zijn door de veiligheidsregio met de dorpencoördinatoren al diverse inwonersbijeenkomsten geweest. Door de blijvende onzekerheden over de schadeafhandeling, de versterking en de blijvende seismische effecten van de gaswinning, blijft de noodzaak voor dit overleg onverminderd groot. Zodra de coronamaatregelen het weer toelaten, worden deze dorpsbijeenkomsten dan ook weer zo snel mogelijk opgestart.

De keuze om met elkaar te bouwen, is niet altijd makkelijk geweest. Ik herinner me een van de eerste inwonersavonden in hotel Spoorzicht in Loppersum. De zaal was gevuld met voornamelijk inwoners die we ook goed kennen van Twitter, al dan niet onder pseudoniemen, oftewel, de actievere inwoners die al jarenlang vechten tegen het onrecht dat in Groningen plaatsvindt. Een mannetje of 25 en niet de makkelijkste groep, zeg maar. De eerste vraag aan mij was dan ook waar de veiligheidsregio zes jaar geleden was. Het was een intensieve avond, die zeer werd gewaardeerd, zo bleek later.

 

Ideeën

Het was ook het gros uit deze groep, dat even later de “OnVeiligheidsregio” oprichtte en deze nota bene op de ochtend van de aardbevingsoefening in Zuidwolde lanceerde. We werden compleet verrast. Met pamfletten en gele hesjes met opdruk OVR liepen zij door het dorp Zuidwolde. Omdat zij daarmee ook een deel van de oefening in de weg liepen, zijn zij in goed overleg na enkele uren weer vertrokken. Later zijn we weer bij elkaar gekomen en zijn we in gesprek geweest over hun eigen ervaringen. Samen kwamen we tot ideeën waarmee de inwoners van Groningen geholpen kunnen zijn.

Ik ben hen dankbaar en heb waardering voor de strijd die zij voeren. Deze groep actieve Groningers is echter niet de groep waarover ik me persoonlijk het meeste zorgen maak, vooral omdat zij vaak wel mondig zijn en goed geïnformeerd, zich goed kunnen organiseren en de weg weten te vinden in het doolhof van overheden en instanties.

Mijn zorgen gaan het meest uit naar de grote groep stille Groningers, mensen zoals mijn opa en oma. Ik heb mijn moeder gevraagd over hoe zij dacht dat opa en oma zouden zijn omgegaan met de huidige situatie. Wat als opa en oma ook schade hadden gehad en zoals duizenden Groningers in deze molen terecht zouden zijn gekomen? Het bleef lang stil en we konden ons beiden maar moeilijk een voorstelling hierbij maken.

Hoe dan ook had opa met cement of brokken steen en een grote lik verf elke scheur aan het huis zelf wel weggestopt, dat was wel duidelijk. Net zoals zoveel werd weggestopt in die tijd. De verhalen uit de oorlog heb ik bijvoorbeeld helaas nooit van hen gehoord. Opa hoefde niet in dienst, omdat hij bij de brandweer en bij de WAPROG zat, zo begreep ik later.

Het CVW, de TCMG en de NCG, dat soort instituten, daar hadden ze waarschijnlijk nooit iets van willen weten. Mijn opa werd in 1956 doof, dus het merendeel zou langs hem heen zijn gegaan. En inwonersavonden? Daar hadden we hen echt niet gezien. Het is dit gewone, gemiddelde Groninger gezin, waar onze grootste uitdaging ligt, vind ik.

Enkele jaren voordat opa en oma op hoge leeftijd overleden, werden zij helaas toch ook nog geconfronteerd met het feit dat hun huis, waar ze al 50 jaar verbleven, moest worden gesloopt. Ze moesten weg. Voor hen (en voor de vogeltjes van opa) was een verzorgingshuis met geen mogelijkheid een optie. Ik ben mijn ouders zeer dankbaar dat zij hen in de laatste levensjaren in Zeijen hebben kunnen verzorgen. Opa hield het daar het langste vol en overleed in 2003 op 92-jarige leeftijd. De gaswinningsellende is hen gelukkig bespaard gebleven.

Michiel Roesink in zijn jonge jaren met broertje, opa en oma

 

Speeltuin

Onlangs moest ik in het gemeentehuis van Veendam zijn. Vanuit de noordkant langs Meeden reed ik binnen, niet meer langs die grijze buizen van Wildervank. Aangezien ik ruim op tijd was, ben ik nog even door de Burgemeester Bosscherstraat gereden. Er was maar weinig van de oude bebouwing over; allemaal nieuwe woningen.

Tot mijn stomme verbazing echter, was de speeltuin er nog steeds. Een stuk kleiner dan in mijn herinnering, dat wel, maar met dezelfde schommel en glijbaan. Alleen de wipwap was weg. De herinneringen aan die mooie tijd bij opa en oma maakten me diepgelukkig.

Het is deze zorgeloosheid en het gevoel dat ik in mijn jeugd mocht ervaren, dat ik alle Groningers
toewens en ik hoop dat deze snel weer terugkomen.

 

 

jul 6, 2020 | Nieuws