Bron: Hanzehogeschool Groningen

De NAM is begonnen met de ontmanteling van het sensornetwerk in het aardbevingsgebied, het Dagblad van het Noorden berichtte hierover op 9 januari 2020. Ihsan Bal, lector Earthquake resistant structures van de Hanzehogeschool Groningen geeft in onderstaand artikel zijn visie op de inzet van dit sensornetwerk in het aardbevingsgebied in Noord Nederland.

 

Ihsan BalIn het geval van geïnduceerde seismische activiteit is monitoring van vitaal belang, want het verschaft informatie over oorzaak en gevolg. Het is nuttig voor erkende bedrijven, overheden en vooral mensen die zich zorgen maken over de veiligheid van hun huizen.

Op het Groningse gasveld zijn twee seismische monitoring systemen actief: het netwerk van het KNMI en dat van de NAM, dat tot voor kort door TNO beheerd werd. Het KNMI netwerk is een zogenaamd Strong Ground Motion (SGM) netwerk, wat simpel gezegd betekent dat het bijhoudt hoeveel de aarde tijdens een aardbeving heeft bewogen. Het netwerk van de NAM is opgezet om de gevolgen op gebouwen te onderzoeken, maar de sensoren zijn op een ongewone en nogal vreemde manier geïnstalleerd: op willekeurige plekken op de muur. Een gedetailleerde bespreking ervan is te vinden in de brochure die ik er meer dan een jaar geleden over geschreven heb (zie Hoofdstuk 4):

Er zijn  meer partijen die ook twijfels hebben over de installatie van het netwerk. Een recente studie van Ntinalexis et al. (2019) beschrijft de inspanningen van de NAM zelf om de data van dit netwerk te gebruiken voor de verdere ontwikkeling van het GMM (Ground Motion Model) in Groningen. U vindt het artikel hier.

De NAM heeft besloten de stekker uit het netwerk te trekken en het uiteindelijk te ontmantelen. Wat daar de beweegredenen voor zijn weet ik niet. Ondanks het feit dat ik kritisch tegenover de plaatsing van de sensoren sta, geloof ik nog steeds dat, zo lang als zich aardbevingen blijven voordoen, het netwerk an sich een nuttig instrument voor de mensen in de regio is. In de afgelopen maanden is mij talloze malen gevraagd wat mijn mening over het onderwerp is. Ook is de discussie besproken in de media.

Mijn mening in het kort

1. In de huidige toestand heeft het netwerk weinig nut. Als we bepaalde veranderingen en aanpassingen doorvoeren zodat het meer ‘state-of-the-art’ wordt, kunnen we de verkregen data beter interpreteren. Dan heb ik het niet over revolutionaire veranderingen, maar gewoon een paar slimme aanpassingen ter plekke. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door de locaties die we monitoren in bepaalde clusters te verdelen en huiseigenaren te vragen de sensoren in hun huis van de muur naar de grond te verplaatsen. Dit geeft ons de kans de data uit dit netwerk naast die van het KNMI netwerk te leggen. Ook kunnen we dan de metingen op de grond vergelijken met de rest van de metingen binnen hetzelfde netwerk. Dat is nog steeds geen ideaal scenario, maar het is een technische oplossing die de gezamenlijke datasets veel meer betekenis geeft en uiteindelijk nuttiger maakt.

2. Als er extra sensoren worden geplaatst of sommige eigenaren uit het programma willen stappen, dan kunnen we die sensoren gebruiken om de gebouwen in hun geheel te monitoren, zoals we nu al doen bij de Fraeylemaborg. We kunnen een selectie van gebouwen maken die typisch voor de regio zijn. Op die manier kunnen we informatie boven tafel krijgen die voor iedereen zeer nuttig is.

3. Het netwerk moet geleid worden door een bestuur dat bestaat uit een combinatie van technische mensen (dat kunnen wij vanuit de Hanzehogeschool in samenspraak met bijvoorbeeld BuildinG, verzorgen), lokale overheden en NGO’s in de regio die het belang van de inwoners vertegenwoordigen. Het idee is het monitoren voort te zetten en zolang de aardbevingen zich blijven voortdoen, de mensen zo transparante informatie te verschaffen. In verband met de privacy dienen de resultaten geanonimiseerd te worden, maar wel moeten ze, na elke aardbeving van een bepaalde sterkte of hoger, openbaar gemaakt worden (‘healthmaps’).

4. Een dergelijk systeem laten draaien stelt ons voor technische uitdagingen. Het is moeilijk zo’n enorme hoeveelheid data te streamen, verzamelen en verwerken. Om dit op te zetten is tijd en geld nodig. Het is niet gemakkelijk.

5. Het netwerk raakt verouderd en zal in de loop van de tijd meer onderhoud vergen. Ook daar is geld voor nodig. Hoeveel precies weet ik niet, maar misschien dat de NAM ons daar cijfers over kan verschaffen.

6. Waar het om draait, is het vinden van een sponsor. Vanwege het belang en de impact van het onderwerp, kunnen we bij de Hanze als regionale speler ons best wel doen, maar we hebben wel een sponsor nodig voor het onderhoud en het opzetten van het dataverzamelingssysteem zoals beschreven in #3 hierboven. Mijn eerste gedachten gaan dan uit naar bijvoorbeeld de provincie of NCG. We weten dat de middelen er zijn. En wie een betere bestemming weet voor de NPG-gelden, mag het zeggen.

Los van de kwesties rondom de manier waarop het sensornetwerk is geïnstalleerd, is het sensornetwerk zelf wel van groot belang voor de regio en het zou dan ook gehandhaafd moeten worden. De Hanzehogeschool Groningen beschikt over internationale expertise en ervaring om een dergelijk sensornetwerk op de juiste manier te laten functioneren.

 

14 januari 2020 | Nieuws